Bestuiving

Bestuiving gaat over de bevruchting van (landbouw)gewassen door bijen of door andere insectensoorten, zoals wilde bijen, zweefvliegen, hommels en vlinders.

Voor Nederland is bestuiving vooral relevant in de fruitteelt (bv. appels, peren, kersen), de tuinbouw (bv. tomaten, aubergine, paprika) en bij de zaadteelt (bv. kool, sla, peen, ui). Maar bestuiving is ook belangrijk voor talloze in het wild voorkomende bloemen, planten, struiken en bomen.

Ongeveer 84% van alle Europese gewassen zijn afhankelijk van bestuiving voor hun voortplanting.

Hoewel het in sommige gevallen mogelijk is om planten met de hand te bestuiven, is bestuiving door insecten (en dan vooral de honingbij) vele malen efficiënter en goedkoper.

Het volledig wegvallen van bestuiving zorgt voor een verminderde voedselproductie. Geschat wordt dat dit de Nederlandse land-, fruit- en tuinbouw sector ongeveer 1 miljard euro zou kosten aan niet geproduceerde oogsten. Bovendien heeft het nadelige gevolgen voor het behoud van de biodiversiteit in de natuur en voor openbaar groen.

Het leeuwendeel van de bestuiving van gewassen wordt gedaan door de honingbij. De afhankelijkheid van deze soort kan in de toekomst problemen veroorzaken, omdat de honingbij met verschillende problemen te kampen heeft, zoals ziektes, bestrijdingsmiddelen en verlies aan habitat (leefgebied).

De honingbij neemt momenteel in aantallen af. Hoewel de oorzaak voor de afname niet helemaal duidelijk is, is het aannemelijk dat de honingbij beter zal gedijen als gebruik van bestrijdingsmiddelen beperkt is en het voedselaanbod voor de bij continu en gevarieerd is.

Door naast de honingbij meer gebruik te maken van verschillende (wilde) soorten bestuivers, kan de dienst beter geborgd worden. De bestuiving door wilde bestuivers kan vergroot worden door het creëren van een geschikt habitat waar de insecten kunnen foerageren (voedsel zoeken en opeten), verblijven en voortplanten.

 

Praktijkvoorbeeld(en):

Landschapsbeheer