Bodemerosie

Bodemerosie is het wegwaaien of wegspoelen van de bovenste bodemlaag (toplaag) door wind of (regen)water. Dit gebeurt meestal als de bodem onbegroeid is. Akkerbouwgebieden zijn kwetsbaar voor erosie net nadat een gewas is gezaaid of geoogst.

Door erosie kan vruchtbare grond wegspoelen of -waaien of het gewas raakt beschadigd. Erosie is ook ongunstig voor de productiecapaciteit.

Watererosie treedt veelal op bij sterke hellingen (Zuid-Limburg). Winderosie treedt op bij gronden met veel organische stof zoals in de veenkoloniën. In duingebieden en stuifzanden speelt erosie een belangrijke rol. Deels als natuurlijk proces, waarbij ook de vorming van nieuwe duinen en leefgebied voor planten en dieren kan ontstaan. Een te grote erosie van duinen kan echter de waterkerende functie langs de kust aantasten.

Begroeiing houdt met haar wortels de grond vast en bedekt met haar bladeren de bodem. Hierdoor stroomt minder water weg of stroomt het minder hard weg. Bomen(rijen) of hagen breken de wind, waardoor de oogst (bijvoorbeeld fruit) niet beschadigd raakt en bestuiving beter kan plaatsvinden.

Bossen en helmgras houden zand vast waardoor het niet gaat verstuiven. Vooral heuvelachtige gebieden op löss zijn gevoelig voor erosie door water. Onbegroeide zandige gebieden zijn kwetsbaar voor winderosie.

Door klimaatverandering neemt het aantal stormen en zware regenbuien toe, waardoor ook de gevolgen voor bodemerosie groter kunnen zijn.

Het slim aanplanten van heggen en houtwallen dwars op de wind of waterstromen kan bodemerosie tegengaan. Ook met maatregelen als de aanleg van grasstroken en geen of ondiepe grondbewerking kan bodemerosie worden tegengaan. Gebruik van groenbemesters na het gewas (bv. winterrogge, klaver) of plantaardig materiaal om de bodem af te dekken (stro) kan helpen verstuiving te voorkomen.

Praktijkvoorbeeld(en):

Koolstofvastlegging in de landbouw

 Gevoeligheid voor bodemerosie door:


Begroeiing