Hernieuwbare energiebronnen

Met hernieuwbare energiebronnen bedoelen we energie afkomstig van natuurlijke energiebronnen die constant worden aangevuld. Denk aan energie uit wind, waterkracht, zon, bodem, buitenluchtwarmte en biomassa. Deze energiebronnen zijn onuitputtelijk, in tegenstelling tot fossiele brandstoffen die niet hernieuwbaar zijn. Bij het gebruik van deze hernieuwbare energiebronnen wordt bovendien geen CO2 uitgestoten. Dit maakt ze heel geschikt om stroom mee op te wekken zonder dat dit tot gevolg heeft dat de aarde verder opwarmt, zoals bij fossiele brandstoffen.

Zonlicht levert ons energie die door zonnepanelen wordt omgezet in stroom. Daarnaast maakt een zonnecollector gebruik van de warmte van de zon door water te verwarmen. Het warme water kan dan worden gebruikt voor het verwarmen van ruimtes of om mee te douchen.

De wind zorgt voor de aansturing van windmolens en de stroming uit rivieren of getij drijft turbines aan waaruit energie wordt opgewekt. In berggebieden waar stuwmeren zijn aangelegd, wordt veel gebruik gemaakt van waterkracht voor energieopwekking.

De warmte van de zomer kan bewaard worden in de bodem om 's winters huizen mee te verwarmen. Omgekeerd komt de kou van de winter in de zomer van pas bij het koelen van huizen en kantoren. Deze vorm van hernieuwbare energie heet warmte-koude opslag (WKO). De opslag van warmte of kou gebeurt in het grondwater of in een aangelegde ondergrondse buffer. WKO kan via een open en gesloten systeem. Bij een open systeem staan de buizen die water onttrekken of infiltreren in open contact met de bodem. Bij een gesloten systeem wordt een afgesloten buis in de grond geplaatst en wordt de warmte of kou door geleiding via de buiswanden aan water in de buizen uitgewisseld.

Ook kan aardwarmte, of geothermie, gebruikt worden om gebouwen te verwarmen. Deze warmte wordt verkregen uit dieptes van meer dan 500 meter via eenzelfde soort systeem als WKO. Ook golven op zee zijn bruikbaar om energie mee op te wekken. Hier wordt nog volop mee geëxperimenteerd om het rendement te verhogen.

Om wind, aardwarmte en water beter in te zetten als hernieuwbare energiebron is het belangrijk duurzaam om te gaan met rivieren, zeeën en de bodem. Ruimtelijke ingrepen in onze omgeving kunnen gevolgen hebben voor het gebruik van deze bronnen. Zo kunnen veranderingen van de loop of stroomsnelheid van een rivier gevolgen hebben voor het opwekken van energie uit een rivier. Ook onvoldoende afstemming over het ondergronds ruimtegebruik van bodem en grondwater kan gevolgen hebben voor energiegebruik via warmte-koudeopslag.

Het plaatsen van windmolens of velden met zonnepanelen kan ook niet zomaar overal. Zowel mens, als flora en fauna, moeten mee worden genomen in de afweging van locatiegeschiktheid van deze energie opwekkers.

De Rijksoverheid heeft afgesproken in 2050 geen broeikasgassen meer uit te stoten. Hiervoor is een energietransitie nodig die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen stimuleert. Zo zijn er diverse regelingen en subsidies opgezet om bedrijven en particulieren eenvoudiger gebruik te laten maken van hernieuwbare energiebronnen, zoals zonnepanelen.

Het aanwijzen van gebieden voor windenergie door de landelijke of regionale overheid kan helpen om overlast voor omwonenden en de natuur zo veel mogelijk te beperken. Zo worden er in Borssele in 2020 en 2021 twee grote windparken aangelegd die 1,5-2 miljoen huishoudens van stroom kunnen voorzien.

Ook op kleine schaal zijn er talloze projecten. In Wageningen bijvoorbeeld, wordt een woonzorgcomplex van warmte en kou voorzien door energie uit oppervlaktewater (EOW).

Praktijkvoorbeelden: