Koolstofvastlegging

Ecosystemen kunnen een belangrijke rol spelen bij het vastleggen van broeikasgas (koolstofdioxide (CO2)) in de bodem en begroeiing als koolstof. Daarnaast reguleren ecosystemen de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer en leveren daarmee een bijdrage aan een meer stabiel klimaat. De totale voorraad koolstof in de bodem in Nederland wordt geschat op 357 megaton.

Bossen hebben bij het vastleggen van CO2 een vooraanstaande rol, omdat zij CO2 als koolstof vastleggen in het hout en daarmee een meerjarige voorraad aanleggen. Jaarlijks wordt door het Nederlandse bos 2,7 megaton CO2 vastgelegd. Dit is maar 1,3% van de totale uitstoot door onder andere het verkeer, huishoudens en de industrie.

In veengebieden is in het verleden een grote hoeveelheid koolstof vastgelegd. Dit kan als een in het verleden geleverde ecosysteemdienst worden beschouwd. Een deel van de veengebieden zijn sinds de middeleeuwen ontgonnen en drooggelegd en ook nu nog worden voor de landbouw de grondwaterpeilen actief verlaagd. Hierdoor oxideert (reactie op zuurstof) het veen waarbij veel CO2 vrijkomt.  Dit komt neer op 4,2 megaton CO2 per jaar in Nederland, meer dan de hoeveelheid die bossen vastleggen.

CO2 wordt in natuurgebieden vastgelegd als koolstof. Niet alleen in bossen, maar ook in andere natuurtypen. Vochtige bossen hebben de grootste koolstofvoorraad per hectare, maar de grootste bodemkoolstofvoorraad ligt onder natuurlijke schraalgraslanden en rietmoeras. Voor de meeste natuurtypen (behalve in bossen) is de koolstofvoorraad in de bodem vele malen hoger dan de voorraad bovengronds in bomen en planten.

De Nederlandse bossen leveren een beperkte bijdrage aan de vastlegging van CO2, wanneer dit vergeleken wordt met de uitstoot (1,3 %). Wanneer bossen alleen voor CO2-vastlegging zouden worden ingezet (als productiebossen), dan kan dat ten koste gaan van andere ecosysteemdiensten, zoals groene recreatie en levenscyclusbescherming.

Het veengebied levert een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse CO2-uitstoot door oxidatie van het veen. Het voorkomen van veenoxidatie door te vernatten, zorgt dat dit proces geremd wordt en er minder CO2 vrijkomt. Het nadeel daarbij is dat er meer methaan, wat een sterk broeikasgas is, vrijkomt.

De CO2-emissie uit veengebieden kan beperkt worden door het grondwaterpeil in het gebied te verhogen. Door een peilverhoging wordt het gebruik van zwaar materieel in de landbouw moeilijker en levert het landbouwperceel minder op. Als de kosten voor het actief laag houden van het peil hoog zijn en de opbrengsten vanuit de landbouw relatief laag, dan kan ervoor gekozen worden om van het landbouwgebied natuur te maken. Het waterpeil kan dan verhoogd worden, zodat de CO2 vastgelegd blijft. In gebieden waar de opbrengsten van de landbouw relatief hoog zijn, zal dit een minder voor de handliggende optie zijn.

Vastlegging van CO2 in bossen levert een beperkte bijdrage, maar door te zoeken naar een optimale inrichting van bosgebieden kan ook deze ecosysteemdienst versterkt worden. Daarbij zal een afweging gemaakt moeten worden tussen diverse ecosysteemdiensten, zoals groene recreatie en levenscyclusbescherming.

Ook in de landbouw is het mogelijk om koolstofvastlegging te verbeteren. Niet-kerende grondbewerking en een verbeterde afwisseling van gewassen hebben de grootste potentie voor koolstofvastlegging. Vanwege de kosten en landbouwkundige beperkingen wordt niet al het potentieel benut. De maximaal haalbare koolstofvastlegging in de Nederlandse landbouw kan ongeveer 1 megaton CO2 per jaar zijn. Dat is 5,5% van de huidige emissies uit de landbouwsector.

Praktijkvoorbeeld(en):