Plaagonderdrukking

In de land- en tuinbouw worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt om gewasschade door vraat door luizen, rupsen en door ziekten (schimmels, bacteriën) te beperken. Deze middelen komen echter ook in bodem en water terecht, wat schadelijk is voor het milieu en de volksgezondheid.

Een alternatief is het gebruik van natuurlijke vijanden, zoals lieveheersbeestjes of sluipwesten die de plaagsoorten opeten of op parasiteren. Ook kunnen plaagsoorten worden geïnfecteerd. In de bodem kunnen micro-organismen (bacteriën en schimmels) zo bijdragen aan plaagonderdrukking.

Insecten die nodig zijn voor natuurlijke plaagonderdrukking zijn sterk afhankelijk van groene infrastructuur en natuurgebieden in de directe omgeving van akkers. Behalve de plaagsoorten in de akkers die als voedsel dienen, hebben insecten bloemrijke vegetaties nodig voor het verzamelen van nectar, pollen en andere prooidieren.

Opgaande begroeiing (houtwallen en erfbeplanting) levert beschutte plekken om te overwinteren. Omdat veel insecten slechts kleine afstanden kunnen afleggen, moeten deze landschapselementen een netwerk rond de akkers vormen. Duurzaam beheer van deze randen en aangrenzende percelen is ook belangrijk.

Het aanleggen van bloemrijke akkerranden en houtwallen draagt bij aan plaagonderdrukking. Ook het herstel en natuurlijk beheer van reeds aanwezige structuren in akkerbouwgebieden (slootkanten, wegbermen, erven) helpt plaagbestrijdende organismen.

Vaak zijn natuurlijke elementen voor meerdere doelen in te zetten. Zo zijn in de Hoekse Waard in het kader van een project over Functionele Agro-Biodiversiteit (FAB) slootkanten ingericht als bufferstrook voor waterzuivering. De slootkanten worden nu zodanig aangepast dat ze ook voor plaagbestrijdende insecten en voor akkervogels geschikt worden: meerdere vliegen in één klap!

Praktijkvoorbeeld(en):

Potentiële natuurlijke plaagregulatie: