- under construction -

Project

Project

Aan de Postweg in Lunteren ligt De Groote Voort, een biologisch veehouderijbedrijf en kaasmakerij. Het bedrijf verwerkt de eigen melk tot ‘Remeker kaas' en zet die succesvol af via verschillende kanalen: biologische winkels, kaasspeciaalzaken, boerenmarkten en horeca door het hele land én een eigen winkel en webwinkel.

Wat is er nieuw?

De bedrijfsvoering is gebaseerd op ‘natuurlijk' werken. Dit geldt voor het bodem- en graslandbeheer, voor de melkproductie door een bijzonder koeienras (Jersey) en voor het maken en rijpen van de kaas. Bijvoorbeeld: doordat de koeien al sinds 2004 geen antibiotica meer krijgen, krijgt het bacterieleven in de bodem meer kansen, wat bijdraagt aan een levende bodem en een natuurlijke bodemvruchtbaarheid.

Ander voorbeeld: de kaasmakerij werkt met rauwe melk, er worden geen conserveringsmiddelen toegevoegd en weinig zout. De kaas heeft een natuurkorst van ghee (melkvet uit wei) wat een natuurlijke rijping mogelijk maakt.

Het kaaspakhuis is gebouwd met natuurlijke materialen en regionaal geoogst hout (gebouwd volgens het principe Cradle to Cradle) en kent een milieuvriendelijke en energiezuinige klimaatbeheersing. In uitsparingen in de bodem komt kwelwater van de Gelderse Vallei omhoog, waardoor de luchtvochtigheid in het pakhuis op natuurlijke wijze hoog blijft.

Stand van zaken

Stand van zaken

Het biologisch veehouderijbedrijf De Groote Voort is 50 hectare groot, met ruim 90 Jersey koeien. Het bedrijf maakt kaas sinds 1985. De Groote Voort is biologisch sinds 1991 en streeft naar een zo natuurlijk mogelijke werkwijze in de hele keten, van bodembeheer, graslandbeheer, raskeuze en het houden van de koeien tot het maken en het rijpen van de kaas én de afzet. Alles is gericht op een natuurlijke en rijke smaak van de kaas.

In 2016 won De Groote Voort de verkiezing ‘Agrarisch Ondernemer van het jaar'.

Beheer van bodem en oevers

Het bedrijf ligt in de Gelderse Vallei, de bodem bestaat uit lemig zand, verrijkt met diepe kwel. De bodemvruchtbaarheid is goed. Zoals in alle biologische landbouwbedrijven worden kunstmest en bestrijdingsmiddelen niet toegepast, er wordt gestreefd naar een rijk bodemleven als natuurlijke basis voor de bodemvruchtbaarheid. Tussen het gras groeit klaver die stikstof uit de lucht vastlegt in de bodem. Bemesting vindt voornamelijk plaats met gefermenteerde potstalmest uit eigen stal.

De Groote Voort heeft 2 km houtwallen en onderhoudt die ook, en heeft een overeenkomst met het waterschap over oeverbeheer van de beek en van sloten. De merknaam van de kaas is ‘Remeker', naar een oude veldnaam van één van de percelen van het bedrijf. Het woord betekent ‘perceel omzoomd door eiken'.

Minder melk, meer omzet

De Jersey koeien lopen in een ruime open stal met vrije toegang tot weiden, ze eten gras en geplette granen als haver en rogge, kruiden en gedroogd fruit. Het bedrijf gebruikt geen antibiotica, geen ontworming, geen inentingen. Het gevarieerde voer houdt de koeien gezond.

De koeien geven 5000 liter melk per jaar. Dat is niet veel, met bijv. 60% krachtvoer is dat al gauw het dubbele. De kostprijs van de melk is veel hoger dan gemiddeld in de biologische veehouderij, o.a. door het bijvoeren met kruiden. De koeien zijn gehoornd, wat de huisvesting duurder maakt: de koeien hebben meer ruimte nodig.

Jersey-koeien geven minder melk dan zwartbonte koeien (Holstein) maar met hogere gehaltes aan vet en eiwit – waarbij het hoge gehalte aan het eiwit caseïne de melk erg geschikt maakt om kaas mee te maken. Normaal is er 9,5 liter melk nodig voor 1 kilo kaas, op de Groote Voort is het 6,5 liter.

De hogere kostprijs van de melk wordt goedgemaakt door de opbrengst van de kaas. Het bedrijf heeft in de afgelopen decennia met dezelfde omvang de omzet weten te verdrievoudigen.

Kaarten Achtergrond

Achtergrond

Milieu, natuur en duurzaamheid zijn al vele jaren belangrijke onderwerpen voor de landbouw. Maar hoe doet de landbouw het als het gaat om natuurlijk kapitaal, ecosysteemdiensten en circulaire economie?

Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft in 2014 een analyse gemaakt van de Nederlandse land- en tuinbouw en ecosysteemdiensten. Om te beginnen beslaat die land- en tuinbouw ongeveer twee derde van de oppervlakte van Nederland (bos en natuur 14%, stedelijk gebied 15%, water 5%). Door de gunstige omstandigheden en moderne productiemethoden is de productie per hectare en per dier bijzonder hoog en bovendien efficiënt. Daardoor is Nederland de tweede exporteur van landbouwproducten ter wereld, vooral van producten met een hoge toegevoegde waarde, zoals zuivel, zaai- en pootgoed en siergewassen.

Ecosysteemdiensten van de landbouw

Echter, door de intensieve landbouw is in veel agrarische gebieden de levering van een aantal ecosysteemdiensten praktisch onmogelijk geworden. Het PBL becijfert dat agrarische gronden behalve (vanzelfsprekend) aan voedsel en bodemvruchtbaarheid, alleen flink bijdragen aan energie (biomassa) en waterberging en -zuivering. Waterwinning, koolstofvastlegging in de bodem, bestuiving en natuurlijke plaagonderdrukking worden vrijwel geheel door natuurgebieden geleverd. Ook de bijdrage aan groene recreatie en natuurlijk erfgoed is gering.

Ecosysteemdiensten voor de landbouw

Dat is geen ideale situatie, ook niet voor de landbouw zelf. Veel landbouwgewassen zijn afhankelijk van bestuiving, niet alleen door honingbijen, maar ook door wilde bijen en zweefvliegen. Ook dreigt bodemdegradatie door overbemesting, een te laag gehalte aan organische stof en te intensieve bodembewerking. Een gezonde bodem is een biologisch actieve bodem met een grote variatie aan bodemorganismen. Tot slot kan de landbouw veel meer profiteren van natuurlijke plaagbestrijding en daarmee de gewasbescherming op een meer natuurlijke leest schoeien. Een sterke ontwatering en afwatering om vroeg in het voorjaar het land op te kunnen met de machines, kan in de zomer leiden tot droogteschade aan gewassen.

Andere keuzes

Er zijn agrariërs die andere keuzes maken met het oog op milieu en natuur en landschap:

  • biologische landbouw: landbouw zonder kunstmest en bestrijdingsmiddelen met als basis het streven naar een zo natuurlijk mogelijke bodemvruchtbaarheid en het sluiten van kringlopen. In de Europese Unie wordt 5,7% van de landbouwgrond gebruikt voor biologische landbouw, in Nederland is dat 3%;
  • agrarisch natuurbeheer: bedrijven combineren agrarische productie met beheermaatregelen die de boerennatuur ten goede komen, bijvoorbeeld weidevogels. In 2013 had bijna 11% van de landbouwbedrijven in Nederland een overeenkomst voor agrarisch natuur- of landschapsbeheer gesloten; het oppervlak waarvoor beheerovereenkomsten zijn afgesloten was in 2012 3% (iets minder dan 60.000 hectare);
  • ook binnen de gangbare landbouw zijn veel boeren bezig om gevolgen van hun bedrijfsvoering voor de omgeving te minimaliseren en te komen tot duurzame productie.

Natuurinclusieve landbouw

Landbouw die rekening houdt met de omgeving, met milieukwaliteit van met natuur en landschap in de omgeving wordt wel natuurinclusieve landbouw genoemd. Natuur en economische activiteit zijn dan in meer of mindere mate vervlochten. Om te komen tot een meer natuurinclusieve landbouw is meer onderzoek en ontwikkeling van praktijkkennis (vakmanschap) nodig. Dan kunnen de verdwenen ecosysteemdiensten in agrarisch gebied weer beschikbaar komen, zowel voor de samenleving als voor de landbouw zelf, en de landbouw kan zich doorontwikkelen richting een circulaire en klimaatneutrale bedrijfstak.

Een andere benadering is die van de circulaire economie: het hergebruik van reststoffen als mest, organisch afval en het werken aan klimaat- en/of CO2-neutrale landbouw. Zie daarvoor het praktijkvoorbeeld over kringloopboeren.

Verdienmodel ontbreekt

Uit een studie van het Wageningen UR en de Universiteit van Amsterdam uit 2015 blijkt dat er op dit moment nog geen verdienmodel bestaat voor natuurinclusieve landbouw. Het is bedrijfs- of markteconomisch nog niet aantrekkelijk om meer natuurinclusief te gaan werken. Betalingen die agrariërs ontvangen zijn vaak net kostendekkend. Boeren die de omslag maken doen dat vooral op basis van hun motivatie. Verder is de structuur van toeleveranciers, afnemers, banken, kennisinstellingen en belangenorganisaties in de landbouw inclusief de regelgeving nog teveel gericht op de gangbare efficiënte landbouw tegen zo laag mogelijke kosten. De omslag richting een meer natuurinclusieve landbouw zit letterlijk en figuurlijk niet ‘in het systeem'. De onderzoekers pleiten voor ruimte om te experimenteren, nieuwe vormen van financiering en meer zekerheid als het gaat om beheervergoedingen door overheden.