Regenwormen van Nederland in kaart gebracht

De nieuwe kaarten in de Atlas Natuurlijk Kapitaal tonen de dichtheid en diversiteit van de regenwormengemeenschappen.

02/22/2018 | 11:27AM

Photo at Regenwormen van Nederland in kaart gebracht

Regenwormen

Regenwormen zijn soms te zien als ze na een regenbui naar het bodem oppervlak kruipen of bij het spitten in de (moes)tuin. Veel (weide)vogels foerageren op regenwormen. Regenwormen behoren tot de reuzen van het bodemleven, de zogenoemde macrofauna. Het meeste bodemleven is niet met het blote oog te zien. In Nederland zijn ongeveer 25 regenwormsoorten bekend. In Nederland komen gemiddeld 206 regenwormen per m2 bodemoppervlak voor. Het zijn er zo veel dat ze samen een enorme hoeveelheid bodem omzetten, de natuurlijke ploegcapaciteit. Enkele soorten zijn heel algemeen. Ze worden ingedeeld in drie groepen, op grond van hun voedselkeuze, gedrag en voorkomen: pendelaars, bodembewoners en oppervlakte grazers.

De pendelaars, zoals de soort Lumbricus terrestris, graven diepe verticale gangen en trekken plantenresten tot ver in de bodem. Zij verhogen het gehalte aan organische stof, verbeteren de bodemvruchtbaarheid en versterken het vochtregulerende vermogen. Ze bevorderen de beluchting en stimuleren de microbiële activiteit in de bodem. Deze grote wormen komen vooral ‘s nachts aan het oppervlak. De bodembewoners, de grondeters, zoals de soort Aporrectodea caliginosa leven ondergronds. Zij eten zich als het ware door de grond heen. Zij voeden zich met al afgebroken organisch materiaal vermengd met minerale grond (humificatie). De oppervlakte grazers, de strooiseleters, zijn regenwormen die vlak onder de oppervlakte leven zoals Lumbricus rubellus. Deze soorten grazen vooral het oppervlak af en voeden zich met afgestorven organisch materiaal. Als deze groep ontbreekt, kan een minder goed doorlatende verdichte zode ontstaan. Regenwormen zijn gevoelig voor verontreiniging en grondbewerking, zoals ploegen en mestinjectie.

Strooiseleter (Lumbricus rubellus) Grondeter (Aporrectodea caliginosa) Pendelaar (Lumbricus terrestris)


Wat is te zien op de kaarten

De linker kaart toont de geschatte regenwormdichtheid per vierkante meter in de Nederlandse bodem. De rechter kaart toont het aantal regenwormensoorten per 100 individuen.

 

 

 

 

De dichtheid en het aantal soorten is hoger bij een hoge pH en bij een hoger gehalte organische stof. Dit is te zien aan de donkere kleuren op de kaarten. In een zure bodem (pH lager dan 4) worden weinig regenwormen gevonden en is de soortenrijkdom klein. In bos op zandgrond worden nauwelijks regenwormen aangetroffen, in heidegebied komen ze niet voor. In graslanden is de dichtheid en het soortenrijkdom het grootst. De meeste soorten en grootste dichtheden worden aangetroffen in de klei- en veenbodems (241- 540 wormen per m2). De kleibodems bevinden zich in de Flevopolder, Zeeland en langs de rivieren. De veenbodems liggen vooral in Friesland en in het Groene hart.

De regenwormenkaarten zijn samengesteld op basis van ongeveer 1300 meetgegevens van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit. Om vlakdekkende kaarten samen te stellen zijn de gegevens statistisch bewerkt, en vervolgens toegepast in modellen waarmee de regenwormendichtheid en soortenrijkdom geschat kunnen worden.

Betekenis van regenwormen voor de gezonde bodem

Zonder regenwormen zou het leven op aarde er heel anders uitzien. De mens zou niet in de ons bekende gedaante bestaan. Regenwormen zijn essentieel voor het ontwikkelen van vruchtbare, voor de landbouw geschikte, bodems. De structuur, het organische stof, het lucht- en vochtregulerende vermogen en de stofkringlopen worden beïnvloed door de langdurige aanwezigheid van regenwormen. Ter illustratie: voor de vorming van een gezonde laag zwarte teelaarde is er 100 jaren werk van regenwormen nodig en alle regenwormen van Nederland bij elkaar ploegen ongeveer net zo hard door de bodem als alle boeren bij elkaar. De boeren hebben daar brandstofslurpende en zware tractoren voor nodig, regenwormen doen het uit zichzelf met organische stof als brandstof.

 

Foto's: Ron de Goede (WUR)


Regenwormen van Nederland in kaart gebracht

De nieuwe kaarten in de Atlas Natuurlijk Kapitaal tonen de dichtheid en diversiteit van de regenwormengemeenschappen.

02/22/2018 | 11:27AM

Photo at Regenwormen van Nederland in kaart gebracht

Regenwormen

Regenwormen zijn soms te zien als ze na een regenbui naar het bodem oppervlak kruipen of bij het spitten in de (moes)tuin. Veel (weide)vogels foerageren op regenwormen. Regenwormen behoren tot de reuzen van het bodemleven, de zogenoemde macrofauna. Het meeste bodemleven is niet met het blote oog te zien. In Nederland zijn ongeveer 25 regenwormsoorten bekend. In Nederland komen gemiddeld 206 regenwormen per m2 bodemoppervlak voor. Het zijn er zo veel dat ze samen een enorme hoeveelheid bodem omzetten, de natuurlijke ploegcapaciteit. Enkele soorten zijn heel algemeen. Ze worden ingedeeld in drie groepen, op grond van hun voedselkeuze, gedrag en voorkomen: pendelaars, bodembewoners en oppervlakte grazers.

De pendelaars, zoals de soort Lumbricus terrestris, graven diepe verticale gangen en trekken plantenresten tot ver in de bodem. Zij verhogen het gehalte aan organische stof, verbeteren de bodemvruchtbaarheid en versterken het vochtregulerende vermogen. Ze bevorderen de beluchting en stimuleren de microbiële activiteit in de bodem. Deze grote wormen komen vooral ‘s nachts aan het oppervlak. De bodembewoners, de grondeters, zoals de soort Aporrectodea caliginosa leven ondergronds. Zij eten zich als het ware door de grond heen. Zij voeden zich met al afgebroken organisch materiaal vermengd met minerale grond (humificatie). De oppervlakte grazers, de strooiseleters, zijn regenwormen die vlak onder de oppervlakte leven zoals Lumbricus rubellus. Deze soorten grazen vooral het oppervlak af en voeden zich met afgestorven organisch materiaal. Als deze groep ontbreekt, kan een minder goed doorlatende verdichte zode ontstaan. Regenwormen zijn gevoelig voor verontreiniging en grondbewerking, zoals ploegen en mestinjectie.

Strooiseleter (Lumbricus rubellus) Grondeter (Aporrectodea caliginosa) Pendelaar (Lumbricus terrestris)


Wat is te zien op de kaarten

De linker kaart toont de geschatte regenwormdichtheid per vierkante meter in de Nederlandse bodem. De rechter kaart toont het aantal regenwormensoorten per 100 individuen.

 

 

 

 

De dichtheid en het aantal soorten is hoger bij een hoge pH en bij een hoger gehalte organische stof. Dit is te zien aan de donkere kleuren op de kaarten. In een zure bodem (pH lager dan 4) worden weinig regenwormen gevonden en is de soortenrijkdom klein. In bos op zandgrond worden nauwelijks regenwormen aangetroffen, in heidegebied komen ze niet voor. In graslanden is de dichtheid en het soortenrijkdom het grootst. De meeste soorten en grootste dichtheden worden aangetroffen in de klei- en veenbodems (241- 540 wormen per m2). De kleibodems bevinden zich in de Flevopolder, Zeeland en langs de rivieren. De veenbodems liggen vooral in Friesland en in het Groene hart.

De regenwormenkaarten zijn samengesteld op basis van ongeveer 1300 meetgegevens van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit. Om vlakdekkende kaarten samen te stellen zijn de gegevens statistisch bewerkt, en vervolgens toegepast in modellen waarmee de regenwormendichtheid en soortenrijkdom geschat kunnen worden.

Betekenis van regenwormen voor de gezonde bodem

Zonder regenwormen zou het leven op aarde er heel anders uitzien. De mens zou niet in de ons bekende gedaante bestaan. Regenwormen zijn essentieel voor het ontwikkelen van vruchtbare, voor de landbouw geschikte, bodems. De structuur, het organische stof, het lucht- en vochtregulerende vermogen en de stofkringlopen worden beïnvloed door de langdurige aanwezigheid van regenwormen. Ter illustratie: voor de vorming van een gezonde laag zwarte teelaarde is er 100 jaren werk van regenwormen nodig en alle regenwormen van Nederland bij elkaar ploegen ongeveer net zo hard door de bodem als alle boeren bij elkaar. De boeren hebben daar brandstofslurpende en zware tractoren voor nodig, regenwormen doen het uit zichzelf met organische stof als brandstof.

 

Foto's: Ron de Goede (WUR)