Niet-hernieuwbare energiebronnen

Fossiele brandstoffen zijn een vorm van niet-hernieuwbare energie. Ze zijn ontstaan doordat dierlijke- en plantaardige resten miljoenen jaren diep onder de grond zijn samengedrukt. Deze resten bevatten samengeperste koolstofverbindingen. Bij de verbranding ervan komt veel energie vrij. De meest voorkomende fossiele brandstoffen zijn gas, olie en kolen.

De Nederlandse ondergrond bevat olie- en gasvoorraden. Er zijn ruim 470 gasvelden waarvan er circa 250 in productie zijn. Verreweg het grootste gasveld ligt in Groningen. Daarnaast zitten er honderden kleine gasvelden in de Nederlandse bodem en onder het Nederlandse deel van het continentaal plat in zee. Aardgas wordt gebruikt voor de opwekking van elektriciteit, voor verwarming en als grondstof voor de petrochemische industrie.

Nederland beschikt over 48 olievelden, maar met een beperkte oliereserve. Aardolie wordt gebruikt als brandstof en als grondstof voor de productie van kunststoffen. Vroeger werd veen (turf), bruinkool en steenkool in Nederland gewonnen voor de energievoorziening. Nederland heeft momenteel nog vijf werkende kolencentrales. De kolen worden tegenwoordig voornamelijk geïmporteerd uit Zuid-Amerika en uit Afrika.

De voorraden van niet-hernieuwbare energiebronnen zijn eindig en zullen dus opraken. Daarbij heeft de winning en het gebruik van deze fossiele brandstoffen negatieve gevolgen voor milieu en klimaat.

De winning van gas heeft gevolgen voor de stabiliteit van de ondergrond. Vooral in de provincie Groningen vinden als gevolg van de gaswinning aardbevingen plaats. Zo raken door de aardbevingen gebouwen beschadigd. Ook kunnen aardbevingen de ondergrondse infrastructuur aantasten met onder andere lekkages in leidingen als gevolg. Door de gaswinning daalt de bodem met enkele centimeters per jaar. Dit kan gevolgen hebben voor de waterhuishouding in het gebied.

Ook de winning van olie en steenkool leidt vaak tot schade voor het milieu. Bij het oppompen van olie en het transport ervan kunnen lekkages optreden. Deze lekkages hebben grote gevolgen voor de waterkwaliteit, het bodemleven en dieren die ermee in aanraking komen. Steenkool voor de Nederlandse energiecentrales wordt voornamelijk geïmporteerd uit Colombia, Zuid-Afrika en Indonesië. Deze mijnbouwactiviteiten leiden tot ontbossing en de vervuiling van grond, water en lucht in deze landen.

De verbranding van fossiele brandstoffen draagt door de CO2-uitstoot bij aan klimaatverandering. De hoeveelheid is afhankelijk van het soort brandstof. Het gebruik van aardgas geeft minder uitstoot van CO2 en vervuilende stoffen dan het gebruik van steenkool of olie. Onder het klimaatakkoord zal Nederland het gebruik van fossiele brandstoffen en hiermee de uitstoot van CO2 sterk moeten verminderen. De energietransitie richt zich op een overstap naar duurzame energie waarbij we in 2050 bijna volledig afhankelijk zijn van hernieuwbare energiebronnen.

De afnemende beschikbaarheid van fossiele brandstoffen en de bijkomstige gevolgen voor het klimaat vragen om meer duurzame energieopwekking en hergebruik van (rest)producten en grondstoffen. Door fossiele brandstoffen efficiënter te gebruiken of ze te vervangen door schone hernieuwbare energiebronnen kan het gebruik van deze brandstoffen worden gereduceerd.

Zo is er bijvoorbeeld een landelijke subsidie om huurwoningen energiezuiniger te maken. Ook kan er subsidie worden aangevraagd voor zonneboilers en warmtepompen. Vanuit het programma Stroomversnelling worden steeds meer Nul-op-de-meter woningen (NOM) gebouwd. Bij een nul-op-de-meterwoning wordt het netto energiegebruik tot nul gereduceerd door slim gebruik te maken van energiebesparende en energieopwekkende voorzieningen.

Praktijkvoorbeeld(en):