Tuin vol leven

Een tuin vol leven: biodiversiteit

Tuinen kunnen bijdragen aan de stedelijke biodiversiteit (ecosysteemdienst ‘natuurlijk erfgoed'), getuige bijvoorbeeld de tellingen van tuinvogels en vlinders waarbij burgers worden ingezet als waarnemers. In stadsranden zijn vaak resten van het oude landschap min of meer intact gebleven, en zijn de kansen voor natuur in tuinen beter dan in de soms zeer verharde oude stadsdelen. Vooral tuinen met oorspronkelijk Nederlandse bomen, struiken en bloemplanten trekken dieren aan, bijvoorbeeld bestuivende insecten, spinnen, bodemdieren, en daardoor vervolgens ook vogels en kleine zoogdieren als muizen en egels. Als bij de fysieke inrichting van een tuin nest- en schuilplaatsen worden gemaakt (variatie in structuur en materialen) en de tuin voedsel voor dieren produceert, neemt het tuinleven nog toe. Niet alleen grote tuinen kunnen vol leven zitten, ook de kleine – tot aan geveltuintjes en groene daken toe.

Bij aanplant is het belangrijk om planten te gebruiken waar bijvoorbeeld insecten op zoek naar nectar en stuifmeel iets mee kunnen; dat is bij veel cultivars niet altijd het geval. Ook vrijwel alle verkrijgbare bomen en heesters zijn cultivars. Gelukkig komt er ook bij tuincentra meer aandacht voor de functie van planten als waard- en voedselplant. (Staatsbosbeheer heeft nabij Dronten (Roggebotzand) een openbaar toegankelijke plantage – een ‘levende genenbank' – met bomen en heesters afkomstig van oorspronkelijke Nederlandse populaties.)

Particuliere tuinen worden kleiner en minder groen

Hoewel ongeveer 40% van het stedelijk oppervlak in bezit is van particulieren, neemt de bijdrage van tuinen aan een groene leefomgeving in de stad af. Mede daardoor hebben zelfs heel gewone soorten als mussen en spreeuwen het tegenwoordig moeilijk. De oppervlakte die in nieuwe wijken is gereserveerd voor tuinen is in de laatste decennia afgenomen. Bovendien is er sprake van ‘verstening': steeds meer bewoners betegelen hun tuin, mede vanwege het idee dat groen veel tijd en energie zou vragen. Bovendien gebruikt men de tuin meer en meer als verlengstuk van de woonkamer, met de bijbehorende ‘vloerbedekking' i.c. betegeling. Tuinen gaan ook vaker dan vroeger op de schop; een stabiel ‘tuinmilieu', bijvoorbeeld een rij groene achtertuinen met oude bomen en struiken, is een zeldzaamheid aan het worden. In de veel voorkomende kleine en betegelde tuinen van nu is de kans op bijvoorbeeld een nest jonge vogels of een egelnest gering.

Gezien over een hele wijk kunnen tuinen in een behoorlijke hoeveelheid groen voorzien, en daarmee gewenste ecosysteemdiensten helpen leveren. Naast ‘natuurlijk erfgoed' ook recreatie (ontspanning /gezondheid), verkoeling, het voorkomen van wateroverlast, bestuiving en plaagonderdrukking. In oude tuinen staan soms oude bomen en heesters die een speciale ecologische functie kunnen vervullen (schuil- en nestplek) en die, samen met het openbaar groen en watergangen, karakter geven aan een wijk.

Hoeveel tuinen hebben we?

Waar over openbaar groen veel bekend is, ook op landelijke schaal, is de kennis over particuliere tuinen fragmentarisch. Landelijke gegevens over perceeloppervlakte in relatie tot oppervlakte van tuinen door de jaren heen zijn niet beschikbaar. De gegevens die er zijn tonen een grote variatie in aandelen van bebouwing, verharding, openbaar groen, oppervlaktewater en tuinen.

Het meest gedetailleerde onderzoek is gedaan in drie wijken in Groningen. Van 1998 tot 2013 nam het verharde oppervlak in tuinen daar toe met percentages variërend van 3 tot 14%, waarbij het gemiddelde onder de 5% bleef. Een onderzoek in Leeds (Engeland) betrof de ontwikkelingen in een buitenwijk van 1971 tot 2004. Het ‘harde' oppervlak in de wijk (daken, wegen, parkeerplaatsen) nam toe van 31 naar 44%, waarbij de toename voor driekwart te wijten was aan verharding van tuinen.

Over de hele linie is er weinig aandacht voor de variatie aan planten en dieren in tuinen. Landelijke gegevens over biodiversiteit in tuinen zijn er niet, net zo min als over biodiversiteit in openbaar groen of in het stedelijk groen als geheel.

Invloed op waterhuishouding

Water dat niet infiltreert in de grond kan verdampen, het kan afspoelen naar een watergang of in het riool stromen. Toegenomen verharding kan dus een effect hebben op de belasting van het riool, maar wijkinrichting, bodem (klei!) en hoogteverschillen in de wijk hebben ook een grote invloed. In het Groningse onderzoek had de wijk met de kleinste rioolcapaciteit totaal geen waterproblemen. De wijk (Helpman) ligt aan de rand van de stad, en het teveel aan water komt vanzelf in een laaggelegen weidegebied terecht. In het Engelse Leeds acht men verharding van tuinen relevant voor de aanzienlijke problemen met water in de onderzochte buitenwijk (mede de aanleiding voor het betreffende onderzoek).

Stedelijk warmte-eiland

Steden zijn warmer dan het landelijk gebied. Stenen, asfalt en dakpannen houden warmte veel beter vast dan vegetatie. Eén van de ‘bronnen' van verkoeling in de stad is directe verdamping van water bij regen, wat wegvalt bij een snelle afvoer via het riool. Daarnaast dragen verdamping door planten, ‘open bodems' waarin water kan infiltreren en schaduw van bomen bij aan verkoeling. In principe heeft een toegenomen ‘verstening' dan ook gevolgen voor de temperatuur in een wijk. Veel hangt af van de inrichting van een wijk inclusief de waterhuishouding, het totale percentage open bodem en de bodemsoort. In de weinige onderzochte gevallen lijkt de bijdrage van betegelde particuliere tuinen aan warmte in de stad gering vergeleken met de invloed van gebouwen en verharding.

Informatie verzamelen

Lokale omstandigheden in een wijk als bodemgesteldheid, hoogteverschillen, waterhuishouding, het type riolering (gemengd of gescheiden) én het percentage open bodem (alle vormen van (semi-)openbaar groen, oppervlaktewater, de aanwezigheid van laanbomen enz.) bepalen of de toenemende verharding van particuliere tuinen een probleem is. Daarom is het van belang om de toestand van een stad in kaart te brengen inclusief de variatie van wijk tot wijk, en die gegevens te koppelen aan gegevens over wateroverlast, stedelijke biodiversiteit en kwaliteit van de woonomgeving. Kennis over hoe water en natuur in de stad als geheel ervoor staan, kan bewoners met andere ogen naar hun tuin laten kijken.

Het goede voorbeeld geven

Afgezien van de zorgplicht voor het hemelwater is het aan bewoners en gebruikers wat ze met hun perceel doen. Een gemeente die groene tuinen wil bevorderen, kan maar één weg bewandelen: die van voorlichting, bewustwording, campagne voeren, stimuleren (cursussen, evt. subsidies). Daarbij moet een gemeente natuurlijk laten zien dat ze zelf aan de goede kant staat met de aanleg en beheer van haar eigen ‘tuin', het openbaar groen. Alleen dan kan men suggesties doen voor mooie particuliere aanvullingen op het openbaar groen, ook voor het aspect biodiversiteit.

Aansluiten bij initiatief/samenwerken met bedrijven

Als een gemeente wil werken aan het vergroenen van tuinen, is aansluiten bij actieve bewoners c.q. samenwerking met bedrijven aan te bevelen. Ook afdelingen van bijvoorbeeld het IVN, de KNNV, de zoogdiervereniging (ook voor vleermuizen) of de vogelbescherming kunnen een rol spelen; Vogelbescherming Nederland heeft zelfs speciale ‘stadsvogeladviseurs'. Projecten als de bouw van een nieuwe wijk, vernieuwing van de riolering of de aanleg of herstructurering van een bedrijventerrein kunnen een goede kans bieden voor meer natuur in de stad. Ook terugkerende wateroverlast kan een aanleiding zijn. Zaak is dat de lokale overheid dan de kansen grijpt en optimaal meewerkt en faciliteert. Dan behoren een buurttuin, een waterspeelplaats, gezamenlijk natuurlijk groenbeheer of een project over particuliere tuinen zomaar tot de mogelijkheden.

Van betegelde naar groene tuinen: gemeenten kunnen stimuleren

Als een gemeente stedelijke biodiversiteit serieus neemt en groene en natuurlijke tuinen wil stimuleren, moet er niet te veel aan te merken zijn op het eigen groenbeleid. Idealiter combineert een gemeente in het groenbeleid cultuurhistorische en natuurwaarden, is het beleid bekend én duidelijk zichtbaar en beleefbaar, past het bij de wijk en kunnen burgers er gemakkelijk op aansluiten met hun eigen tuin. Een gemeente kan verder informatie geven, pootgoed ter beschikking stellen, stukken openbaar groen laten beheren door bewoners of een buurttuin mogelijk helpen maken. Ook kan men het gebruik van Nederlandse heesters en bomen stimuleren.

Als bewoners of bedrijven aan gezamenlijk beheer van groen en/of natuur gaan doen, leidt dat al gauw tot echte projecten waarbij soms meerdere overheden betrokken zijn (gemeente, waterschap). Dergelijke projecten zijn een uitgelezen kans voor een gemeente om een slag te slaan met natuurlijk groen. Het kan gaan om een binnentuin, een bedrijfsterrein of braakliggende grond (‘Tijdelijke natuur').

Waterwet: Zorgplicht Hemelwater

Zowel in woonwijken als op bedrijfsterreinen staat het eigenaren, bewoners en/of gebruikers vrij om met hun perceel of tuin te doen zij willen. Wel zijn ze verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater op het eigen perceel door infiltratie of afvoer naar het oppervlaktewater (Waterwet 2009 – uitgangspunt daarbij is dat hemelwater schoon is; zo niet, dan is zuivering verplicht). Als iemand buiten zijn schuld zijn hemelwater niet kwijt kan, is de gemeente verantwoordelijk voor het aanbieden van een voorziening. Als infiltratie onmogelijk is vanwege volledige verharding van het perceel, kan men geen beroep doen op deze gemeentelijke zorgplicht.

Natuur op bedrijfsterreinen

Ook bedrijven hebben tuinen. Dergelijke tuinen zijn, al of niet in samenhang met het soms collectief beheerde bedrijfsgroen op bedrijventerreinen, een uitgelezen kans voor samenwerking tussen gemeente en bedrijven.

Arnhem: een beek door de voortuin

De Julianalaan in Arnhem is vlak voor de Tweede Wereldoorlog aangelegd op landgoed Angerenstein. Dat lag op een stuwwal en na verloop van tijd bleek vlak bij de weg, in een restant van het landgoed dat nu een park is, een bron te liggen. Rond het jaar 2000 leidde dat tot zinkgaten in de Julianalaan. De aanleg van nieuwe riolering was voor een aantal bewoners aanleiding om het waterprobleem op originele wijze op te lossen. Het werd een meerjarig project, met vele betrokken overheden én het nodige (vrijwillige) graafwerk. Nu stroomt het water uit het park over de weg, door 16 voortuinen en weer over de weg een sloot in. Elke tuin heeft een eigen stukje beek. 


Operatie Steenbreek

Operatie Steenbreek is een project van o.a. de tuinsector, de vereniging voor veldbiologie KNNV en diverse (kennis)instellingen met als doel burgers te enthousiasmeren om hun betegelde tuin te vergroenen. In acht steden (o.a. Leeuwarden, Groningen, Maastricht en Den Haag) stimuleren gemeenten, soms samen met een tuincentrum, bewustwording van burgers met bijvoorbeeld een cursusaanbod, hulp bij de aanleg geveltuintjes, en hulp en advies bij het ‘onttegelen' van de tuin.

 

Eindhoven: de vergeten tuin

Twintig jaar stonden er bedrijfsgebouwen in de binnentuin van een blok kleine arbeidershuizen in Eindhoven (Palingstraat). Toen het bedrijf vertrok kwam het terrein braak te liggen. Langzaam ontstond er een wilde tuin. In 2002 is de tuin op basis van een uitgekiend ontwerp omgevormd tot een stadsnatuurtuin. In 2007 kreeg het terrein een groenbestemming. De vereniging Veldwerk, vooral bestaand uit buurtbewoners, beheert het terrein.

 

Eindhoven: High Tech Campus

De High Tech Campus in Eindhoven, het voormalige terrein van het Natlab (ruim 100 hectare), is opgezet als duurzaam bedrijventerrein waarbij een hoge kwaliteit van de werkomgeving werd nagestreefd. Bij de herinrichting eind jaren 90 werd gekozen voor een landschappelijke opzet op basis van bodem, het Brabantse beekdallandschap en kansen voor natuur (de Dommel stroomt langs het terrein).

 

Zoetermeer: Bedrijventerrein Heineken

In Zoetermeer werkt Heineken aan natuur op haar bedrijfsterrein. Binnen het programma 'Groene cirkels' is Heineken begonnen met de aanleg van Bijenlandschappen. Terreinen worden op een andere manier ingericht en beheerd, zodat bestuivende insecten meer kans krijgen om voedsel te verzamelen en beter kunnen overwinteren. Lees het interview met Jan Kempers.