In het kort

Beregeningswater wordt zowel onttrokken uit grondwater als uit oppervlaktewater. Het percentage dat uit grondwater wordt onttrokken varieert tussen ca. 80 en 65% van het irrigatiewater voor respectievelijk droge en natte jaren (Hoogeveen e.a., 2003) Veel provincies verplichten gebruik van oppervlaktewater. Steeds vaker wordt echter grondwater als alternatief genoemd, zeker in droge perioden. In gebieden waar gewassen worden verbouwd die gevoelig zijn voor bruinrot en ringrot, zoals aardappelen, is irrigatie uit oppervlaktewater verboden en is grondwater het enige alternatief. Onttrekking van grondwater en oppervlaktewater ten behoeve van irrigatie gebeurt voornamelijk in perioden met een neerslagtekort. Beregening vindt dan plaats om het vochttekort in de wortelzone aan te vullen, ten behoeve van agrarische productie. In gebieden met fruitteelt wordt soms beregening uit grondwater ook toegepast om vorstschade aan bloesem in het vroege voorjaar te voorkomen. Deze kaart dient in samenhang met de twee andere kaarten over de effecten van beregening te worden bekeken:

- Beregeningsonttrekkingen: effect op grondwaterkwel

- Beregening: vermeden reductie van gewasverdamping

Over de kaart

Inventarisatie van beregeningsonttrekkingen uit grond- en oppervlaktewater ten behoeve van de landbouw heeft plaatsgevonden op gemeenteniveau door het LEI. Op basis van deze brongegevens is beregening toegekend aan de meest waarschijnlijke locatie op de NHI modelschaal van 250x250m, gegeven gewas en bodem (NHI, 2008).

Kaartgegevens

De bronhouder van deze kaart is Deltares. Bekijk de metadata voor de contactgegevens en de technische beschrijving van de kaart.