Groen in de stad: Ontwerp en aanleg

De rol van groen in de stad

Groen (inclusief water en bodem) is belangrijk voor de stad als leef- en werkgebied. Het levert vele ecosysteemdiensten, zoals een omgeving voor beweging, rust en ontspanning (gezondheid, recreatie), verkoeling, het voorkomen van wateroverlast en enige geluidswering. En natuurlijk draagt groen bij aan de ecologische structuur en de biodiversiteit, en kan het cultuurhistorisch van belang zijn.

Groen in de stad staat altijd onder druk door (verdere) ‘verstening' door gebouwen en infrastructuur, want ruimte in de stad is schaars.

 

Groene infrastructuur: waarde voor de stad

Tegenwoordig wordt niet alleen in het natuurbeleid maar ook in de stedelijke context gesproken over groene infrastructuur: parken, wegbermen, volkstuincomplexen, begraafplaatsen, sloten, grachten, kanalen en rivieren (inclusief de oevers). De opgaaf is om al die groenelementen als geheel te gaan zien, waar mogelijk te verbinden en ruimte te maken en/of te houden voor planten en dieren.

 

Hoeveel stedelijk groen hebben we?

Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft over de periode 2000-2006 onderzocht hoe de beschikbaarheid van groen binnen een straal van 500 meter van de woonomgeving zich ontwikkelde. De resultaten laten zien dat in sommige delen van Nederland de hoeveelheid groen in de onderzochte periode is afgenomen, terwijl elders een toename te zien is. De kaart geeft geen informatie over het type groen en hoe het gebruikt wordt (de functionaliteit) en laat privaat groen buiten beschouwing.

Er is geen norm voor de hoeveelheid openbaar groen. In de Nota Ruimte (2006), wordt een richtgetal genoemd: 75 m2 per woning. In 2003 lag de oppervlakte openbaar groen in 19 van de 31 grootste gemeenten hieronder, en geen van de vier grote steden haalde het richtgetal.

Inventariseren en waarderen wat er is

Zowel bij ontwerpen van een nieuwe wijk als bij het (opnieuw) ontwerpen van groen in een bestaande wijk zijn lokale omstandigheden bepalend. Daarom is het belangrijk om de uitgangssituatie goed in kaart te brengen: bestaande (landschaps)elementen, watergangen en oevers, oude bomen, wegbermen, overhoekjes en plantsoenen, inclusief de ecologische kwaliteit. Analyseer de bodemgesteldheid, hoogteverschillen, waterhuishouding én – in geval van een bestaande wijk – het percentage ‘open bodem': alle vormen van (semi-)openbaar groen, particuliere groene tuinen, oppervlaktewater, de aanwezigheid van laanbomen enz.

In het ideale geval heeft een stad alle wijken op deze punten in kaart gebracht inclusief de variatie, en die gegevens in verband gebracht met gegevens over wateroverlast, natuur in de stad en kwaliteit van de woonomgeving.

 

Bij ontwerp bestaande elementen benutten

In een nieuwe wijk kunnen onderdelen van het oude landschap een plaats krijgen. Een wijk wint aan karakter als oude sloten blijven liggen (cultuurhistorie) en oude bomen blijven staan. Speciale aandacht verdienen plekken waar de oorspronkelijke bodem nog aanwezig is (bijv. parken). Ecologische oevers – goed voor biodiversiteit en waterkwaliteit – hoeven niet altijd te worden aangelegd. In sommige gevallen kan goed beheer van een bestaande oevervegetatie al leiden tot een gewenste, meer soortenrijke oever.

 

Doordacht ontwerpen – groen heeft vele functies

Bij de aanleg van stedelijk groen is het aan te bevelen om zoveel mogelijk gebruik te maken van de verschillende ecosysteemdiensten die groen kan leveren. Dat maakt investeringen efficiënter. Er wordt immers meer waarde gecreëerd voor mens en natuur en vaak worden ook kosten bespaard.

 

Bomen, vegetatie, vogels, bijen, vleermuizen

  • Oude bomen in de stad zijn schaars, de meeste zijn jonger dan 40 jaar. Bovendien halen bepaalde snelgroeiende soorten (populieren, schietwilgen) die 40 jaar niet altijd (gevaar van omwaaien). Veel steden hebben beleid voor monumentale bomen vanwege die schaarste. Oudere bomen leveren een grote bijdrage aan het karakter van een wijk en zijn belangrijk voor de kwaliteit van de leefomgeving (koelte).
  • Plantsoenen en parken met structuur (bomen, struiken, kruiden) en een gevarieerde samenstelling bieden een goede leefomgeving voor kleine en grote dieren. Een gevarieerde kruidenvegetatie is belangrijk voor insecten die bloemen bestuiven, met name wilde bijen (inclusief hommels), vlinders en zweefvliegen. Natuurvriendelijke oevers zijn goed voor de waternatuur en de waterkwaliteit. Veel vogels broeden in struiken.
  • Veel van de populaire bomen en struiken zijn ingevoerd; sommige zijn wel ‘inheems' maar komen bijvoorbeeld uit Zuid-Europa. Echt Nederlandse bomen en struiken zijn beter ‘ingespeeld' op insecten en andere dieren die hier leven.
  • Als een wijk een goed leefgebied voor vogels is, profiteren andere dieren maar ook planten daarvan mee. In het boek ‘Stadsvogels: bouwen, beleven, beschermen' van Vogelbescherming Nederland wordt voor vier typen stadsomgeving uitgewerkt hoe ontwerp hierbij kan helpen. In zowel ‘de stenen stad', ‘de groene stad', de ‘blauwe stad' als de ‘nieuwe stad' is het niet zo moeilijk om een scala aan soorten een goed leefgebied te geven. Daarbij gaat het altijd om beschikbaarheid van voedsel, beschutting (veiligheid) en nestgelegenheid.
  • Ook over bijen en vleermuizen is dergelijke informatie beschikbaar.

 

Samen met bewoners

De Entente Florale Nederland noemt burgerinitiatief als één van de vijf pijlers voor een vitale groene stad (naast recreatie, gezondheid, economie en biodiversiteit, zie www.vitalegroenestad.nl). Overheden kunnen het niet alleen; zonder daadwerkelijke betrokkenheid van burgers bij hun wijk zullen mooie groene plannen niet of heel moeilijk realiteit worden, zeker nu veel gemeenten in de kosten moeten snijden. Dit geldt voor zowel nieuwe als bestaande wijken. Mogelijke initiatieven: een buurtmoestuin, een waterspeeltuin, een stadsboerderij, een onderhoudsploeg uit de buurt voor een plantsoen of parkje. Als zich een groene traditie in een wijk heeft gevestigd, kan dat ook zijn weerslag hebben op het al dan niet groene tuinieren van bewoners.

Groenbeleidsplan van gemeenten

Gemeentelijke groenbeleidsplannen zijn in principe sectorale plannen waarin voor langere periodes een basis gelegd wordt voor beheer en onderhoud van en investeringen in groene (en blauwe) netwerken in de gemeente.

 

Belang van groen vanuit andere sectoren

Vanuit andere beleidsterreinen worden maatschappelijke doelen benoemd waaraan groene infrastructuur kan bijdragen. In het algemeen geldt: hoe meer het belang van groen vanuit andere sectoren wordt onderkend, hoe sterker het groenbeleid. We noemen drie belangrijke werkvelden:

  • Klimaatadaptatie: wat betreft de waterhuishouding en warmte in
     de stad moeten steden zich aanpassen aan het vaker optreden van hevige buien, hittegolven en lange droge perioden. Bij het opvangen van hevige buien gaat het om waterberging en het zoveel mogelijk laten infiltreren van regenwater (gescheiden  riool). Deze twee aspecten zijn ook belangrijk voor het doorstaan van warmte en/of droogte, samen met de groenstructuur waaronder bomen en struiken. Verder kunnen groene daken en gevels bijdragen aan een beter leefklimaat. Rotterdam is in Nederland een goed voorbeeld van een stad waar goed wordt nagedacht over groene en blauwe infrastructuur in relatie tot klimaatadaptatie.
  • Gezondheid en welzijn: wonen en werken in een groene omgeving draagt bij aan gezondheid en welzijn. In vele gemeenten en in binnen- en buitenland wordt hieraan gewerkt. In Nederland biedt het rapport van ‘TEEB stad' een overzicht, met als (theoretische) casus ‘10% meer groen in Bos en Lommer'. Groningen en Zwijndrecht zijn voorbeelden van gemeenten waarin groen en gezondheid met elkaar verbonden worden (via resp. stadslandbouw / voedsel en via beweging en sport).
  • Integrale stedelijke ontwikkeling: in ruimtelijke plannen c.q. projectontwikkeling is ‘groen' altijd terug te vinden. Daarbij wordt vaak niet concreet gemaakt om wat voor groen het precies gaat of moet gaan; kwalitatieve aspecten als cultuurhistorie en biodiversiteit blijven onderbelicht. Binnen duurzame stedelijke ontwikkeling nemen groen en water steevast een voorname plaats in omdat het belangrijke kwaliteitsdragers zijn en omdat ze belangrijk zijn voor klimaatadaptatie en voor gezondheid en welzijn.

Eva-Lanxmeer

In de wijk Eva-Lanxmeer in Culemborg zijn vanaf 1999 op ongebruikelijke wijze groenstructuren ingezet ten behoeve van diverse functies: waterhuishouding, behoud archeologisch bodemarchief, winning van aardwarmte, bescherming van drinkwaterbronnen en voorkomen van hitte-stress. Het ontwerp is vanwege al deze functies geïnspireerd op de bodem en weerspiegelt de afwisselende ontstaansgeschiedenis als gevolg van rivierstromingen. Met alle aspecten is rekening gehouden bij het ontwerp, waarbij de actieve vereniging van (aanstaande) bewoners een belangrijke rol speelde.

 

PARK21

Midden in de Haarlemmermeer, tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep, wordt gewerkt aan een nieuw recreatief groengebied van 1000 hectare genaamd PARK21. Basis voor de inrichting is het bestaande landschap van vaarten en sloten, akkers en boerenerven, ‘verbrede landbouw' is het hoofdthema. Er komt een recreatieplas, verder sportvoorzieningen en nabij het spoor en de A4 komen attracties over de (polder)geschiedenis van Holland.